2. Stoelendans. Interviews met productontwerpers Wieki Somers, Jurgen Bey en Joris Laarman.
Is er sprake van een hype in de designsector?
Ontwerpers twijfelen eraan of de huidige media-aandacht niet wat overtrokken is, maar die aandacht wordt van de andere kant ook wel weer door hen gewaardeerd. Zij leidt er mogelijk toe dat het aantal (betaalbare) werk- en presentatieplekken voor design groeit, waardoor ontwerpers locaties kunnen uitkiezen waar ze het best gedijen.
Eigen producten en ontwerpvisie
Jurgen Bey richt zijn aandacht vooral op de context van producten; in welke wereld komen ze terecht en hoe worden ze gebruikt? Hij ontwierp bijvoorbeeld een bureaustoel die omsloten is door een compacte werkruimte. Dit hilarische mobiele kantoor rijdt met een snelheid van 40km/u door de stad. Naast aandacht voor inhoud en context benadrukt Bey in zijn werk de ambachtelijkheid. Bijvoorbeeld van krattenmakers, door hun materiaalgebruik.
Wieki Somers zegt vooral gedreven te worden door liefde en passie voor het ontwerpvak. Dankzij haar aandacht voor materiaal en natuurlijke processen roept ze als het ware hun kwaliteiten en mogelijkheden tevoorschijn, waarbij ze gelooft dat hierin vaak de betekenissen verscholen zijn. De rode draad in het werk van Wieki is een subtiele wisselwerking tussen functie, inhoud en vooral het poëtische materiaalgebruik. Bij het project ‘Chinese stools, made in China copied by dutch’, ligt de nadruk voornamelijk op de inhoud, inhakend op een vaak terugkomende fascinatie voor de omgang met de gebruiksvoorwerpen waarmee mensen zich dagelijks omringen. Bij dit project liet Somers Chinese krukjes afgieten in aluminium, waarmee ze probeert een langzaam verdwijnende, typisch Chinese zitcultuur te vereeuwigen.
Joris Laarman vindt zijn grootste uitdaging in het experiment. Hij ziet zich als bedenker van een nieuw soort typologie. Een voorbeeld daarvan is de stoel die is opgebouwd volgens de natuurlijke groeiprocessen van botten. Dat natuurlijke proces, waarbij op sommige plaatsen botweefsel groeit en op andere juist afneemt, biedt een effectieve constructie op die ook bruikbaar bleek voor stoelen. Het onderwerp ‘groei’ is ook te zien in een ander product van Laarman: de gelimiteerde vazen die een natuurlijk vervalproces van de mallen laat zien.
Limited editions
Bey maakt limited editions, en daarnaast producten die in grote oplages door de industrie op de markt worden gebracht. De royalty’s geven hem de economische basis om verder te gaan met nieuwe experimenten, die al dan niet leiden tot limited editions dan wel industriële producten. De ontwerper realiseert zich dat er maar een beperkt aantal mensen is dat de gelimiteerde producten kan en wil aanschaffen maar dat weegt niet op tegen het belang van de verbeelding prikkelende experimenten. Bey zoekt naar een gezonde balans tussen industriële productie en unica.
Somers spreekt liever niet over de hype van limiteds maar over de passie en liefde waarmee dingen gemaakt worden want naast de culturele waarde maakt dat een ambachtelijk vervaardigd product kostbaar. En dat is al eeuwenlang zo. Deze ambachtelijke producten, waarachter vaak een boodschap schuil gaat, kunnen inspiratie zijn voor een eventuele later grotere productie. De in kleine oplage geproduceerde oplages zijn vaak in eigen beheer of voor een galerie vervaardigd. Ze hoopt binnen het enorme produktenaanbod, produkten te maken die het waard zijn gekoesterd te worden, en die tot de verbeelding spreken, ongeacht de oplage.
Laarman maakt het niet uit of er nou wel of geen grote oplage wordt gemaakt van zijn ontwerpen. Voor hem staat het experiment centraal, ook als het gaat om de ontwikkeling van industriële processen. Het ontwerpen zelf is voor hem het belangrijkst, niet zozeer de wijze van uitvoering. Soms moet je volgens hem geen massaproductie willen, omdat bepaalde producten er bij gebaat zijn exclusief te blijven. Gelimiteerde oplage is voor hem geen issue. Van geval tot geval wordt gekeken of het mogelijk dan wel wenselijk is om er een massaproduct van te maken. Maar beide zijn geen doel op zich. Industriële kansen hangen af van het soort product dat je maakt; namelijk of je er wat in ziet als massaproduct.
Waarom Rotterdam?
Rotterdam is een gemakkelijke thuishaven, vanwege het verschepen van werk en omdat de stad sinds de jaren ’90 goedkope woonruimte biedt aan ontwerpers.
3. Lezing door Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst & cultuur aan de Erasmus-universiteit Rotterdam.
- Design maakt economisch gezien een interessante ontwikkeling door:
- Topdesign dat bedoeld is voor de kunsthandel; daarvoor gelden de wetten van de economie van de aandacht; 1 op de 10 (maar eigenlijk 1 op de 100) ontwerpers krijgt aandacht voor zijn werk. De kans is dus klein dat je economisch zeer succesvol bent als ontwerper in dit segment van de markt.
- De verhouding autonome- en toegepaste kunst is voortdurend in beweging.
- Kunst is een gesprek; kunstenaars, ontwerpers critici, afnemers en het algemene publiek denken mee over de waarde en de betekenis van kunst- en designproducten (bijvoorbeeld tijdens debatten als vanavond).
- De waarde van kunst staat soms tegenover economische waarden in de samenleving; bij kunst gaat het immers om ‘het gesprek’ en niet zozeer om het marktbeginsel ‘voor wat hoort wat’.
- Voor topdesign en kunst zijn er vier mogelijke afzetrichtingen: de overheid, ‘oikos’ (gezin, familie, naasten), de sociale sfeer (scholen, buurt, derden) en de markt. Hierbij heeft iedere richting een eigen taal en logica, eigen beperkingen en mogelijkheden. Bij een overstap van het ene domein naar het andere zal de ontwerper vaak rekening houden met die factoren. Een designer die gewend is industriële producten te maken zal zich bijvoorbeeld anders gaan gedragen als hij of zij galeries benadert met limited editions.
- Designers vinden hun opdrachtgevers in de reguliere markt en zoeken nu ook de distributiekanalen van de kunst op. Daarmee begeven zij zich op een gebied waar de marktlogica ‘voor wat hoort wat’ niet speelt en waar een ander discours plaatsvindt. Hoe goed zij zich kunnen handhaven binnen dat andere discours bepaalt op termijn hun succes.
4. Lezing van Henk Oosterling, filosoof, hoofddocent faculteit wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Moderne kunst is op twee manieren door de postkapitalistische economie uit het publieke domein verwijderd. Enerzijds door de kortgesloten uniciteit; het overslaan van publieke receptie in musea en galerieën, waardoor de moderne kunst haar waarde verliest in het publieke discours (vanuit het atelier wordt kunst verhandeld door veilinghuizen als Sothebys). Aan de andere kant zijn na de Tweede Wereldoorlog de Westerse huishoudens, bedrijven en openbare ruimte geësthetiseerd. Door het voortdurend integreren van moderne kunst en design in het dagelijks leven kunnen we tegenwoordig zeggen: Dasein = Design.
Vanuit de Japanse weg van kunst (geido) kan geconcludeerd worden dat vakmanschap en sensibiliteit samen vallen en mensen meer verbinden aan design. Designproducten lijken zich goed te laten beoordelen op grond van Japanse criteria, waaruit volgt dat sensibiliteit vorm krijgt in het alledaagse.
Als reactie op de globalisering doen Westerse producenten een beroep op de designer; die moet door het herwaarderen van lokale tradities outsourcing naar goedkope productielanden pareren. Hella Jongerius, bijvoorbeeld, wil producten maken die verre van vluchtig zijn; design om aan gehecht te raken; om door te geven in de familie.
Design hoeft niet meer ongelimiteerd vernieuwend te zijn, het moet mensen op intergenerationeel- en transgenerationeel niveau met elkaar verbinden.
De tijd van IK is voorbij, nu is het tijd voor Ik En Anderen (IKEA). Ikea accepteert de alledaagsheid in design door zuivere producten te ontwerpen, zonder kunstwaarde.
5. Debat met de designers, de gastsprekers en galeriehouders Cokkie Snoei van de gelijknamige kunstgalerie en Aad Krol van designgalerie VIVID.
Het debat leverde een aantal, soms strijdige, inzichten op: topdesigners die zich richten op de kunsthandel stemmen de oplage af op de verwachte mogelijkheden van het product op de markt. Toch zeggen alle ontwerpers dat zij niet primair gericht zijn op die marktinschatting maar op de vrijheid van het ontwerpproces, het experiment of het statement dat ze in de wereld willen zetten. Een kleine oplage van ambachtelijk, en dus kostbaar geproduceerde producten biedt mogelijkheden voor ontwerpen die niet op industriële schaal vervaardigd kunnen worden.
Een hoge prijs vanwege beperkte oplage maakt het product ontoegankelijk voor een breed publiek. Maar tegelijk kan het iets ánders opleveren: “iets om van te dromen”, zoals mensen dromen over het onbereikbare leven van filmsterren en koninklijke families.
Er is een groeiende media-aandacht voor de topdesigner, terwijl het werk van designers in de industrie onderbelicht blijft. Het publiek heeft vaak geen notie van de culturele waarde van de inspanningen van die anoniem opererende ontwerpers.
Een belangrijk deel van de topontwerpers ontwerpen niet langer voor industriële productie, omdat zij daarvoor hun interesse verloren hebben. Nemen zij nog wel voldoende verantwoordelijkheid voor hun oorspronkelijke metier?
Er is behoefte aan een designcommunity waarin designers elkaar scherp houden over de waarde van het vak. Design is van oorsprong dienstbaar aan de industrie. Ontkenning van die oorsprong door topontwerpers kan in sommige gevallen tot nieuwe inzichten over het vak leiden maar het kan ook de geloofwaardigheid van het hele vakgebied in diskrediet brengen. Van belang is het openbaar gevoerde discours over kwaliteit.
Design dat samensmelt met de beeldende kunst verliest zijn gebruikswaarde (functionaliteit). Kunst en design komen ieder vanuit een ander uitgangspunt tot stand. De inhoudelijke drijfveren verschillen wezenlijk. Daarom heeft design een eigen discours, een eigen theorievorming en eigen afzetkanalen nodig.
De toekomst van design kan mogelijk liggen in een herneming van waardes zoals die bijvoorbeeld werden uitgedrukt door de Wiener Werkstätte (een viering van mooi, ambachtelijk vervaardigde producten die alleen een kleine doelgroep kan betalen). Volgens anderen is de modewereld een beter voorbeeld. Tegenover de pret à porter collecties dienen de haute couture collecties om het experiment een kans te geven.
6. Impromptu nawoord van Dingeman Kuilman, directeur van Premsela, Nederlandse stichting voor mode en design.
De oriëntatie op de kunsthandel is voor design slechts een dwaalweg. De kunstwereld heeft behoefte aan handel en gebruikt hiervoor nu design, maar misschien slechts tijdelijk. Dit betekent niet dat design hetzelfde is als kunst. De modewereld is mogelijk een interessanter model voor de toekomst.
Verslag: Thijs van Dooren en Jeroen Deckers
Fotografie: Ruud de Jong