Publieksdebat #1

'Publiek Ontwerp'
Verslag van de Publieksbijeenkomst op woensdag 24 september 2008 in Zaal de Unie.
De publieke ruimte lijkt in nood.’ Met deze zin begint het essay ‘Wég met de publieke ruimte’, geschreven door Timo de Rijk in opdracht van het Designplatform Rotterdam en Air. Dit essay verscheen speciaal ter gelegenheid van dit publieksdebat. Moderator Siebe Thissen (hoofd Beeldende Kunst in de Openbare Ruimte van het CBK) vraagt tijdens dit debat door over de rol van de ontwerper in de publieke ruimte. Mogen wij optimistisch zijn over de positie van de ontwerper?
Siebe Thissen, trapt af met een persoonlijke impressie van de openbare ruimte in Rotterdam en wijst op de spanning tussen positief bedoeld overheidshandelen en de werkelijkheid: zes miljoen euro is gestoken in The Creative Factory, het nieuwe lanceerplatform voor creatief talent, terwijl datzelfde creatieve talent voor zijn MacBook vreest als hij of zij ’s avonds staat te wachten op het onveilig aandoende metrostation Maashaven.
De sprekers van de avond krijgen van de moderator tien minuten tijd om zich voor te stellen aan het publiek:
Rein Jansma, bijt de spits af met enkele projecten die juist niet helemaal geslaagd zijn in hun opzet. In zijn opinie zijn deze leerzamer dan de succesverhalen waar zijn bureau er ook genoeg van heeft. In Leidseveen maakte zijn bureau een fietsertunnel onder de A4. Hoe kan een dergelijke tunnel tot een aangename, veilige publieke omgeving worden gemaakt? In de wanden van hoogwaardig roestvrij staal maakte het bureau een enorme lichtkrant, die burgers via een webcam (sociale veiligheid) konden bekijken, maar ook van digitale graffiti konden voorzien via een online verbinding. Gemeenteambtenaren grepen al snel in door middel van een ‘vieze woordenfilter’. Ook namen van gezagsdragers werden eruit gefilterd.
Zoals in de tunnel bij de A4, is ook in de parkeergarage van Oosterdokseiland gebruik gemaakt van camera’s. Bezoekers worden op video vastgelegd en in een ‘onderwaterdecor’ op straatniveau op de muur ‘tussen de vissen’ geprojecteerd. Bezoekers en wandelaars worden op een positieve manier betrokken in de veiligheid in de garage.
Guido Marsille krijgt de vraag voorgelegd: ‘Welke rol kan een ontwerper als jij hebben voor de publieke ruimte?’ Marsille is van oordeel dat er veel ontworpen wordt vanuit angst voor vernieling en onveiligheid. Eigenlijk zouden we meer los moeten laten en maar moeten zien wat er gebeurt. Één van de projecten van Marsille heeft de titel ‘Droogzwemmen’. Dit is een project met een fysieke en een virtuele component. Objecten op een plein bij de Haagse Hogeschool vertegenwoordigen vier archetypen: de dug-out, de sofa, de katheder en de toog. Via microfoons en luidsprekers staan deze objecten met elkaar in verbinding. Zij vragen om geclaimd te worden door het publiek. Er ontstaat als vanzelf interactie doordat gebruikers van het ene object de gesprekken in een ander object kunnen volgen. Chatten, maar dan in de openbare ruimte. Marsille vindt dat ontwerpers te weinig de kans krijgen om één op één te experimenteren met hun ontwerpen. In het project voor de Haagse Hogeschool kon dit wel. Jongeren kregen bovendien inspraak krijgen op hoe hun hangplek er uit moest komen te zien.
Daan Roosegaarde vertelt dat hij altijd op zoek is naar ensceneren van interactie in zijn werk in de openbare ruimte; naar emotionele en functionele betrokkenheid. Zijn grote vriend, de chip, maakt het mogelijk om een fusie te realiseren tussen natuur en technologie. Zijn project Dune is een ‘bossage’ van duizenden fibers die oplichten onder invloed van bewegingen en geluiden van voorbijgangers. Zo ontstaat er een relatie tussen de passant en het object. De donkere Maastunnel, waar het project was geïnstalleerd voor de Rotterdam City of Architecture 2007, werd een publiekstrekker. Er kwamen zelfs bruidsparen langs die de tunnel gebruikten als decor voor hun trouwfoto’s. Roosegaarde ziet in de openbare ruimte dat de verwachtingspatronen voortdurend in beweging zijn. “Wie verwachtte in 1926 dat een trap (de roltrap) zomaar vanzelf zou gaan bewegen als je aan komt lopen? Hoe reageren we nu als hij niet beweegt? De sociale impact van techniek mag niet onderschat worden”, aldus Roosegaarde.
Iris Dijkstra neemt ons mee in het verlichtingsplan voor de Coolsingel. Een project als dit vraagt volgens Dijkstra om afstemming, om procesmanagement en maakt van de ontwerper ook een communicatiespecialist. Neem nou de Hofpleinfontein, het eerste subproject: “Wat wil je en wie houdt de regie? Wat is de functie van het licht? Commercieel, bijvoorbeeld KPN groen, of seizoensgebonden?” Dijkstra vindt dat je zorgvuldig moet zijn bij de selectie van plekken in de stad waar ontwerpers bijzondere ontwerpen mogen maken. Lang niet alle plekken in de stad lenen zich daarvoor. Samenwerking met de gebruikers van de openbare ruimte in de ontwerpfase ziet zij bovendien als een belangrijke basis voor openbaar ontwerp. Betrokkenheid van het publiek is voor haar een belangrijke bron van inspiratie. Voor hen doe je dit werk tenslotte.
Thissen legde het panel de vraag voor: “Stel dat je Rotterdam zou mogen aanpakken, waar leg je het accent; waar zie je urgentie en waarom?”
Marsille vindt dat ontwerpers vaak ten onrechte de neiging hebben om hun persoonlijk stempel op bepaalde ruimten te drukken. “Er kunnen beter goede groenafdelingen en schoonmaakploegen aangesteld worden voor het beheer”, aldus Marsille.
Roosegaarde is geïnteresseerd in transitiegebieden. “dat zijn geweldige plekken waar veel relaties worden onderhouden tussen mensen. Dat maakt het spannend.”
Dijkstra heeft een voorkeur voor sociale probleemwijken. Zij ziet daar vaak mooie samenwerkingsverbanden ontstaan tussen ontwerpers en het publiek. “Daar heb ik bovendien veel lol in mijn werk”
Jansma vindt de openbare ruimte in Rotterdam te overvloedig. “In deze stad is de openbare ruimte te weinig schaars. Zij moet intensiever worden geclaimd door gebruikers én ontwerpers! Meer verdichting in de stad en meervoudig ruimtegebruik maakt de ontwerpopgave interessanter.”
De Rijk vindt dat Zuid ondanks alle stadsontwikkeling nog altijd onvoldoende gekend wordt als deel van het Centrum van Rotterdam. Daar moet de komende jaren hard aan worden getrokken.
In het debat worden de volgende statements op tafel gelegd:
Op de vraag: wat heeft de ontwerper te zoeken in de openbare ruimte?
• Designers bieden een duidelijke toegevoegde waarde, stedenbouwers en architecten zouden meer samenwerking met hen moeten zoeken.
• Er is genoeg talent in de stad maar de kwaliteit staat of valt bij de organisatie die disciplines goed laat samenwerken, hiërarchie en organisatie zijn een must.
Op de vraag: reageert de overheid wellicht te krampachtig?
• Overheidsdiensten kunnen de opgave maar zelden aan om van de openbare ruimte een interessante en actuele plek te maken.
• Overheidsdiensten hebben meestal geen agenda over de sfeer die men wil bereiken in openbare ruimten, omdat dit een gevoelig onderwerp is. De ontwerper zal zich daarover wél duidelijk moeten uitspreken.
• Er is een drang naar verpersoonlijking van ruimte, maar de gemeente wil ruimte waar iedereen wat mee kan. Dat is een onmogelijke opgave in een situatie waar je te maken hebt met pluriforme stedelijke bevolking.
• Goed beheer is net zo belangrijk als vernieuwing.
Op de vraag: mogen ruimtes worden gecreëerd voor een specifieke doelgroep?
• Er moet schaarste gecreëerd worden, zodat groepen hun ruimte gaan claimen. Dat werkt identiteit in de hand.
• Identiteit is diversiteit; de gebruikers bepalen de identiteit, niet zozeer de ontwerpers.
Evelien Griffioen
Fotoverslag Ruud de Jong
Recensie: 'Rookpalen en Hyves als voorboden van een nieuw publiek domein' www.archined.nl