vlagplantsessie #7 creatieve economie
Verslag van maandagavond 30 maart 2009
‘Creatief omgaan met de creatieve economie!’
De zevende vlagplantsessie vond plaats bij Dek 22, een platform voor kunstenaars, mode expo’s, netwerkavonden enzovoorts, gerund door Houssein Bouziane. Dit was een vlagplantsessie met als thema: ‘Creatief omgaan met de creatieve economie!” De sessie werd ondersteund door een essay met dezelfde titel van dr. Erik Braun
De avond werd aan elkaar gepraat door Lucas Verweij, één van de kwartiermakers van het designplatform. Als eerste introduceerde hij Scotty Vriesde, die namens Dek 22 de lokatie waarin de vlagplantsessie plaatsvond toelichtte.
Vervolgens nam Lucas zelf het woord om het thema van de avond toe te lichten. Hij liet het creatief Rotterdam zien aan de hand van een infrastructuur-kaart. Deze kaart geeft het doel van het platform weer: het design-netwerk in de stad in kaart brengen. De kaart laat stromingen zien: tentoonstellen, ontmoeten, opleiden, opdrachtgeven, ontwerpen, verzamelgebouwen en ondersteunen.
Het is een impressie van de samenstelling van de ontwerpwereld in Rotterdam, maar laat ondanks dat het ‘slechts’ een impressie is, toch een aantal interessante punten zien. Als eerste ontbreekt de spin in het web. Er zijn wel een aantal overlappende punten, maar een echt centraal punt is er niet. Misschien dat het designplatform in de toekomst deze rol kan aannemen?
Verder werd geconcludeerd dat de politiek en de geldstroom ontbreken op de kaart. Deze drie ontbrekende factoren laten het probleem van het platform en het ontwerpnetwerk in de stad tot nu toe zien: de vrijblijvendheid en de verbinding tussen ontwerpers en macht/geld.
Na deze inleiding was het de beurt aan de gastsprekers. Gedurende deze sessie werden twee soorten gastsprekers afgewisseld. De ‘bankgasten’, met wie een interactief vraaggesprek werd gehouden en de ‘pitchers’, die aan de hand van thema telkens hun droom als pitch de zaal in slingerden.
De eerste pitch was voor Aad Krol van Galerie Vivid. Zijn droom is om het design in Rotterdam een gezicht te geven en de voorsprong die Rotterdam hierin had terug te winnen. Een verzamelpand, zoals het Danish Design Center in Kopenhagen en een platform zoals het Designplatform zijn daarin belangrijk.
De eerste persoon die vervolgens plaats mocht nemen op de bank was Dr. Erik Braun, stedelijk econoom en schrijver van het thema-essay van de avond. De hoofdvraag aan hem was wat de gemeente kan doen voor de creatieve industrie. Een aantal punten zijn daarin belangrijk. Als eerste huisvesting, zichtlocaties, bijzondere plekken. Rotterdam heeft hierin al veel mogelijkheden in vergelijking tot de rest en er zijn een aantal goede voorbeeld van locaties te noemen, maar beschikbaar stellen voor langere termijn zou beter zijn. Ook is niet-herontwikkelen een optie, waardoor panden niet te duur worden en er vrijheid aan de creatieven gelaten worden. Maar hierbij werd wel opgemerkt dat het kapitaal van de creatieve industrie in de mensen zit en niet in gebouwen.
Een tweede belangrijk punt was het opdrachtgeverschap van de gemeente en de overheid. Hoewel dit lastig is door aanbestedingsregels, zouden er meer opdrachten aan jong talent gegeven kunnen worden. Het feit dat de stad zich wil profileren als designstad, maar ook op andere punten, zoals architectuur, hoeft elkaar niet te bijten. Rotterdam heeft een goed imago en potentie, maar wanneer de stad echt een designstad wil worden, moet de creatieve economie nadrukkelijk een speerpunt in het beleid blijven.
Zijn derde punt was het stimuleren was creatief ondernemerschap door de overheden, door beleid te maken voor creatieve ondernemers en te faciliteren, niet door confectie, maar door maatwerk. Huisvesting faciliteren is hierin ook belangrijk, maar niet leidend.
Verder merkte Eric Braun op dat Rotterdam groter is dan zijn stadsgrenzen, Den Haag is het strand, Dordt de binnenstad, maar ook tot voorbij Moerdijk. Economische activiteit houdt immers niet op bij een menselijke grens.
Op de vraag waar Rotterdam zich bevindt als creatieve stad ten opzichte van andere steden, was het antwoord dat het zich bij de3 koplopers, mocht rekenen, samen met Amsterdam en natuurlijk Eindhoven.
Na dr. Eric Braun was het podium voor Robbert de Vrieze (Transformers). Zijn droom is dat de waarde van creatieve industrie en de invloed ervan op de stad ontdekt zullen worden. Hiervoor moest meer durf getoond worden in het opdrachtgeverschap van de stad Rotterdam, om een unieke designcultuur te stimuleren. Rotterdam zou niet langer vooral schoon en veilig moeten zijn en de oude generatie los moeten laten, zoals bijvoorbeeld is gebeurd bij het strandpaviljoen aan de Maas. Er zijn al veel goede voorbeelden en er is goede wil, de stad moet zich realiseren dat het resultaat van een dergelijk beleid niet alleen zit in leuke reclame, maar dat het een voorsprong en onderscheidendheid voor de stad kan betekenen.
Het designplatform zou hierin bepalend en drijvend kunnen zijn, initiatieven kunnen ondersteunen en er moeten creatieve broedplaatsen gecreëerd worden, voor álle mensen die dingen maken.
De bank was inmiddels voorzien van 2 dames, Louise Schouwenberg, Boymans, en Marriette Dölle, Tent. Louise Schouwenberg is sinds kort aangesteld als stadsconservator, is kunstenaar in ruste en verliefd op design. Ze is in haar nieuwe taak bezig een inhaalslag te maken omdat er in de stad veel potentieel en veel ontwerpkwaliteit aanwezig is maar het ontbreekt nog aan visie. Er moet in kaart gebracht worden welke stromingen er zijn, wie en wat belangrijk zijn er waarom, wat de sleutelwerken zijn, enzovoorts. Ze ziet Rotterdam als een spuitende oliebron van een breed scala aan ontwerpers en ontwerpen.
Mariette Dolle vertelde over haar werk voor Tent, waarin de Rotterdamse beeldende kunstenaar centraal staat. Waar steden als Utrecht ‘beschaafd werk’ voortbrengen, staat volgens haar Rotterdam garant voor chaos, woesternij en de stad waar alles kan. Ze zou graag een plek zien waar kunstenaarsinitiatieven en/of designers zelf bedenken hoe ze hun werk willen presenteren. Ze roept alle aanwezigen op om hun werk te laten zien, want het Rotterdams design moet getoond worden, om bekend te kunnen worden. Er is immers veel meer talent dan alleen het selecte clubje bekende kunstenaars en ontwerpers. En ook al is er een verschil in focus tussen deze twee groepen, samenwerken kan veel opleveren.
Mark van de Velde, stadssocioloog en werkzaam bij PWS, voor een volgende pitch. Na een korte inleiding over het beleid en de visie van PWS, met als hoofdpunten investeren in oude stadswoningen, differentiëren van woningvoorraad, midden en lage inkomens aantrekken en de sociale taken, vertelde hij over zijn visie op huisvesting voor de creatieve industrie. Volgens hem moest de woningstichting geen plaatsbepalende rol gaan spelen, maar moest het mogelijkheid gegeven worden om de creatieven zelf hun vestigingsplaats te laten bepalen. Loslaten en de markt zijn gang laten staan en aan de woningstichting de taak om afstand te nemen en te sturen.
Hierna werd de bank, en een extra stoel, gevuld door drie 'vastgoedjongens': Marcus Fernhout, Container Properties, Chris Bouma, SKAR, en Rob Beekenkamp van Doorbraak.
Chris Bouma trapte af met het standpunt dat de vraag van de 'toegepaste kunstenaars'groter is dan die van de autonomen, maar dat de autonomen alléén, geen economie kunnen maken.
Rob Beekenkamp vulde daarop aan dat Rotterdam leuker gemaakt moet worden, er moet rendabele gebiedsontwikkeling worden gedaan voor kunstenaars en creatieve ondernemers. Volgens hem maken organisaties zoals Stadswonen het leuk, door te helpen aan een tijdelijke locatie, dit is goed voor het imago en het geld komt dan vanzelf. Maar ook belangrijk zijn de mogelijkheden voor een drankje, voor materialen en de sfeer. Maar hierbij werd wel gesteld dat ook creatieve ondernemers uiteindelijk gewoon ondernemers zijn die ook moeten leren hun eigen broek op te houden.
Marcus Fernhout haakte hierop in met de opmerking dat een toffe locatie, kruisbestuiving en een goed opleveringsniveau wel erg veel kunnen helpen voor stimuleren van de creatieve economie.
Rob Beekenkamp werd gevraagd naar zijn mening over de rol van de overheid. Hij sprak à la Pim Vermeulen door te stellen dat dit een geval van ‘tranen uit de schoenveters’ is. Volgens Beekenkamp is het stimuleren van de creatieve industrie wel één van de speerpunten van het college, maar gaat -verhoudingsgewijs- de meeste ontwikkeling toch naar de andere speerpunten: de haven en het medische spectrum. Voor de creatieven wordt nog te weinig gedaan, behalve wat incidentele programma’s en wat support en goodwill. Hij vind dat er een keuze gemaakt moet worden voor de ‘soort’ stad die Rotterdam wil zijn.
Bouma was het hier mee eens en vulde aan dat slechts 4 of 5 mensen op een totaal van 17 duizend ambtenaren en slechts één miljoen op vele miljarden ook geen zoden aan de dijk zetten. Hij hoopte op een doorstart na deze college periode, met voor de korte termijn leegstaande panden en voor de lange termijn meer echt permanente ruimtes.
Over het maken van keuzes was ook Fernhout het eens met de andere 2 heren. Een dergelijke brede profilering levert alleen hagel schieten. Volgens Fernhout moet er, als er een bewust keuze is, een basis gecreëerd worden voor de creatieve industrie en moeten ze daarna los gelaten worden en autonoom doorgroeien. Bouma was het eens met het feit dat vastgoed de basis is.
Beekenkamp stelde echter dat vastgoed slechts een randvoorwaarde is, wanneer er ambities waargemaakt moeten worden, moet er gekeken worden naar de educatieve instellingen, (inter)nationale evenementen, sites, magazines, lectoraten enzovoorts. Volgens Beekenkamp telt juist kwaliteit en zijn opdrachten belangrijker dan huisvesting, omdat er een brug moet zijn tussen kwaliteit en gemeente.
Vanuit de zaal, vanuit D66, werd gereageerd met de opmerking dat de creatieven zelf moeten zorgen voor een sterkere lobby. Dat de industrie zelf moet proberen om meer de politiek in te zetten om invloed te hebben.
Beekenkamp besloot met de opmerking dat de gemeente moet faciliteren en zorgen dat de creatieven gewaardeerd worden en dus in de stad blijven.
Het podium was nu voor Sophie Krier, ontwerper, die vertelde over de dag dat haar droom een nachtmerrie werd. Dit was de dag dat haar studio in vlammen op ging. Na de schok realiseerde ze zich dat alles kwijt zijn ook een goed iets kon zijn, een reset moment om na te denken wat ze eigenlijk maakte en wat voor werkplek ze zou moeten hebben. Hierdoor begon ze zich af te vragen wat er zou gebeuren als de stad haar werkplek zou zijn en wat ze dan nodig zou hebben. In het zou ze dan willen: ruimtes voor: gesprek, om uit te proberen, om te reflecteren, om tegen te komen, om regels te veranderen, en eten voor geest en lichaam.
De laatste bankzitters waren Robert Leefmans, Mangrove, en Michel van Schie van Spark design). Leefmans, zelf één van de oprichters van de Creative Cube in de Delftsestraat, stelde dat ondernemerschap juist ‘zelf doen’ is, en niet afhankelijk zijn van de overheid. Verder is huisvesting maar een klein deel van de kosten. Van Schie vulde hierop aan dat de stad juist aan het merk ‘Rotterdam’ zou moeten bouwen, het zichtbaar moeten maken.
De laatste pitch werd gedaan door Hajo Doorn die, concluderend uit de hele avond, stelde dat het Rotterdam ontbrak aan een goede dictator met hart voor design. Voor deze vacature had hij de volgende eisen bedacht: deze dictator moet: kunnen loslaten, goede bedoelingen van concrete planning kunnen onderscheiden, niet tornen aan het kraakverbod, focussen op gebouwen (een ober kunnen zijn) en hiermee zorgen dat de goede boven drijven, de slechte kunnen altijd nog ober worden…. Verder kwam volgens hem het ongeluksgevoel van velen voort uit te hoge verwachtingen. Er moet gestopt worden met wachten op beleid en visie, maar vertrouwd worden op wat we doen en verder loslaten, loslaten, loslaten!
Er kwamen nog enkele slotopmerkingen uit de zaal:
Als eerste wilde men een kritische blik op het inzetten van creatieven om een wijk op te knappen, ze worden er immers niet voor betaald.
Ook werd gesteld dat de creatieve industrie te divers is, dat men weinig met elkaar te maken heeft en dat daardoor de problemen ook erg verschillend zijn en ook weinig met elkaar te maken hebben. Er is niet één gezamenlijk probleem geformuleerd.
De laatste opmerking was voor Jeroen Deckers die stelde dat ondanks het duidelijke verhaal van Eric Braun, vastgoed toch een complexe materie is. En dat er misschien meer kennis vergaard moet worden over wat en waar nodig is. Maar dat lijntjes vanuit het designplatform naar andere instanties hierbij veelbelovend zouden kunnen zijn. De lijntjes die nu nog missen in het schema….
Verslag Bianca Biemans