Gratis Tanken #2
Verslag van 12 oktober 2009
Thema: 'Rotterdam Designprijs 2009'
Na een welkomstwoord door Annemartine van Kesteren, artistiek leider van de Rotterdam Designprijs bracht het bonte Gratis Tanken-gezelschap een exclusief bezoek aan de tentoonstelling van het werk van de genomineerden van de Rotterdam Designprijs 2009. De inspiratie aldaar opgedaan als voedsel voor de geest werd vervolgens aangevuld door voedsel voor de inwendige mens, verzorgd door Igesz Partymanagement. Deze onderneming verzorgt exclusief bij Museum Boijmans Van Beuningen de lekkerste hapjes en drankjes in Het Paviljoen en de Espressobar. Dus ook deze avond.
Moderator Lucas Verweij leidde de sessie in. Gratis Tanken werd deze keer uitgevoerd aan drie tafels met elk een voorgeselecteerd gezelschap dat het onderwerp van gesprek zelf vaststelde, vermits binnen het aangegeven thema. Na een korte kennismakingsronde met de deelnemers die elkaar in veel gevallen voor het eerst ontmoetten werd op geanimeerde wijze, soms heftig, van gedachten gewisseld. Na enige tijd werd vervolgens de tafelbezetting gewijzigd en ontstonden nieuwe groepjes met gesprekken die elk voor het nageslacht werden vastgelegd door ijverig schrijvende notulisten en voorts zo nu en dan middels video-opnames in beeld gebracht. Het videoverslag zal kortelings hier kunnen worden bewonderd. Na afloop van de tweede sessie deden de daartoe geroepenen samenvattend verslag van de gesprekken, aldus trachtend om de resultaten van het debat middels statements vast te leggen. Ook daarbij bleek de groepsdiscussie niet te eindigen.
Wij hebben getracht de verslaglegging kort en bondig te houden en bieden u herbij -per tafel samengevat- de resultaten aan zoals die uit deze avond resulteerden.
TAFEL 1 creativiteit
Verslag:Thijs van Dooren
Deelnemers groep 1:
Willem van der Sluis
Annemartine van Kesteren
Emeline Cosijnse
Hugues Boekraad
Lucas Verweij
Deelnemers groep 2:
Marcel Vroom
Matthijs van Dijk
Arjen Ribbens
Lonny van Ryswyck
Christien Meindertsma
Lucas Verweij
Doelstelling: Gratis ongevraagde aanbevelingen
Adviezen:
• Om het succes van Dutch Design voort te zetten moet de sector meer zelfkritiek aan de dag leggen.
• Ontwerpers moeten Europees leren denken en minder egocentrisch te werk gaan. De kansen liggen in de doorontwikkeling van de mentaliteit. (gericht aan jonge ontwerpers)
• Jonge ontwerpers zijn eigen werk-en professionaliseringsvormen aan het kiezen. Dat is goed omdat het werkveld veranderd is en de toekomst onvoorspelbaar blijft.
De Designwereld staat op een drempel.
Instituten als Droog Design en Design Academy kunnen maar geen nieuwe richting vinden. Internationaal gezien verliest Nederland snel terrein. Zowel in- als buiten Nederland lijkt het succes van Dutch Design af te brokkelen. Een van de reden is dat het succes de zelfkritiek heeft verstomd. De vergelijking wordt gemaakt met Nokia. Te self-centered in een snel veranderende wereld. Opererend vanuit een vermeende voorsprong terwijl anderen zich doorontwikkelen.
Betekenisloze ironie
De ironische houding van dutch design is niet meer werkzaam, het is betekenisloze ironie geworden. we nemen te snel genoegen met het beeld terwijl de betekenisgeving even belangrijk is. Behalve naar design te kijken, zou er meer over gepraat moeten worden. Dat gebeurt weinig. Toegepaste kunst is een uitermate geschikt middel om iedereen te bereiken.
‘Autonomisme’, langzaam of snel?
Beroep van de ontwerper is hevig veranderd. Ontwerpers nemen meer het initiatief. Ontwerpers nemen vaker hun eigen opdrachten mee; het beroep wordt serieuser genomen. De ontwerper is langdurig betrokken bij het proces en wordt geacht autonoom te denken. ‘Autonomisme’ in het ontwerpen is echter niet goed, men kan niet enkel van zichzelf uitgaan in het ontwerpproces. Ervaren ontwerpers vinden dat het beroep 'de langzaamste bezigheid ter wereld' is, jonge startende ontwerpers vinden 'dat het te snel'gaat. Het is niet eenvoudig om jong om te gaan met succes. Jonge ontwerpers worden vroeg gehyped.
Werkwijzen
Het voordeel dat jonge ontwerpers hebben is dat ze niet gebonden zijn aan een traditionele opbouw van een eigen ontwerpbureau en toekomst. Het is niet per definitie goed om mensen in dienst te nemen die allerlei taken overnemen omdat dit de betrokkenheid bij een project vermindert. Daarom wordt op verschillende manieren gezocht naar een eigen werkwijze. Of het nu met een ontwerppartner in wisseldienst is, in een kleine ontwerpgroep, of met een enkele assistent, geen bedrijfsstructuur is heilig. Een kleine bedrijfsopzet heeft de voorkeur bij jonge ontwerpers om eigen inbreng en vrijheid te behouden. Zakelijk succes kan ook door deze ontwerpers en bedrijfsstructuren worden bereikt. De zoektocht naar een eigen professionaliteit wordt toegejuicht; juist dit soort vernieuwing biedt perspectief voor de toekomst van design in Nederland.
Socialer
De wens van jonge ontwerpers is dat ontwerp socialer wordt en meer betekenis gaat geven aan het leven. Design kan een waardevolle rol spelen bij het gevoeliger maken van de werkelijkheid. Hoewel men niet weet hoe de toekomst eruit ziet is er veel vertrouwen bij jonge ontwerpers. Als toekomstbeeld ziet men het beroep van de designer breder. Er wordt minder gestreefd naar faam, meer naar inhoud. Er is nog weinig reactie op de financiële crisis.
Duurzaamheid
Waarom komt duurzaamheid uiteindelijk terecht bij de ontwerper? Een hele samenleving zou zich hiermee bezig moeten houden maar uiteindelijk worden vooral ontwerpers ermee ‘belast’. Het is belangrijk dat een ontwerper zichzelf afvraagt wat duurzaamheid is. Is maken en ontwerpen een recht op zich of moet men zich afvragen of het niet-maken van een product het duurzaamst is? En als je alles weet van duurzaamheid, kan je dan zelf nog duurzaam zijn?
TAFEL 2 opdrachtgevers
Verslag:Izaak Dekker
Tafel 2 (eerste ronde)
Willem Kars (moderator)
Theo Schut (moderator)
Izaak Dekker (verslag)
Coen Boudesteijn
Nikki Gonnissen
Arjen Ribbens
Marcel Vroom
Tafel 2 (tweede ronde)
Willem Kars (moderator)
Theo Schut (moderator)
Izaak Dekker (verslag)
Emeline Cosijnse
Annemartine van Kesteren
Maarten Kolk
Willem van der Sluis
-Ronde 1-
Vraagstelling: Hoe gaan opdrachtgevers om met ontwerpen? Hoe werkt de relatie tussen opdrachtgever en ontwerper?
Verschillende tafelgenoten spreken zich uit over hun relatie met opdrachtgevers. Als ontwerper wordt je vaak geïdentificeerd aan de hand van je opdrachten, ze maken je groot, bekend of herkenbaar. Maar je valt niet samen met de opdracht, als het goed is ben je meer dan een opdracht, een bekend resultaat kan ook als een soort stigma werken. Over het algemeen 'kies' je een opdrachtgever of een opdracht die bij jou past. Je past je daarnaast ook aan de opdrachtgever aan. Vertrouwen speelt in deze relatie een cruciale rol. Met vertrouwen wordt de ontwerper op een hoger niveau betrokken in het proces en is de kans groter dat een succesvol ontwerp resulteert. Er zijn een aantal drempels voordat je als ontwerper binnenkomt bij een opdrachtgever. Wat doe je? Wat is de toegevoegde waarde van je beroep en ben je wel nodig? Er heerst nog altijd een sceptische houding richting design. Het inzicht dat design een duidelijke toegevoegde waarde heeft is pas met de tijd opgekomen. Ontwerpen is niet alleen creatief (zoals vaak gedacht wordt) maar ook innovatief en functioneel. Volgens één van de ontwerpers zouden opdrachtgevers zich minder met commerciële factoren en meer met de culturele waarde bezig moeten houden bij het opdrachtgeverschap. Sommige opdrachtgevers staan hier voor open en anderen duidelijk niet. De economische factor is altijd prominent aanwezig en duidelijk te berekenen. Het is belangrijk dat ook voor de culturele waarde opgekomen wordt en dat deze niet wordt overschaduwd. Dit belang van de culturele waarde zou vertegenwoordigd kunnen worden door een rijksdesignmeester bijvoorbeeld.
Waar in het publieke domein zouden ontwerpen een prominente rol kunnen spelen? Welke zaken gaan publieke gebruikers aan? Een duidelijke ontwikkeling is de vergemakkelijking voor gebruikers, producten worden simpeler ontworpen en gericht op functie. Een andere deelnemer voegt hieraan toe dat sommige producten überhaupt niet op looks worden gewaardeerd maar puur op functionaliteit. Design heeft een enorme potentie maar hoe kan het dat het ontwerpvermogen dat er is nog te weinig wordt toegepast? Er zijn bjvoorbeeld mode bedrijven die zo nu en dan een kledinglijn of een product door een grote naam laten maken waardoor topontwerp toegankelijk wordt voor allen, deze interessante crossovers zijn echter nog uitzonderingen en gelukkig maar. Sommige dingen hebben een vanzelfsprekende grote culturele waarde denk aan bankpapier, paspoorten of ook de Maasvlakte. Dit inzicht biedt kansen voor interessant en grensverleggend ontwerp. Het zou interessant zijn als er in ieder geval binnen dit soort opdrachten meer ruimte wordt gemaakt voor uitdagend en grensverleggend design. Goed design versterkt de culturele component.
Er is nu gesproken over een culturele component; maar wat is cultuur?
Cultuur is herkomst, toekomst en toewijding. Het is volgens meerdere deelnemers belangrijk dat de opdrachtgever zich verbindt met deze benadering. Aan de andere kant is het belangrijk dat ontwerpers duidelijk maken wat ze bieden.
-Ronde 2-
Het volgende gesprek aan tafel twee wordt ingeleid met verschillende vragen die zich nog naar aanleiding van de vorige ronde opwerpen. Moet er meer grip komen op design in het publieke domein? Moet de culturele waarde van ontwerpen worden gewaarborgd? Hoe kun je opdrachtgevers bewust maken van het belang van culturele waarde van ontwerp? De deelnemers aan het gesprek geven echter al snel aan dat cultuur en economie volgens hen niet als een dichotomie tegenover elkaar staan. Zo bestaat het begrip cultuur uit onder andere economie, techniek, traditie, sociale aspecten etc. Het begrip economie kan op zijn beurt in een prisma van verschillende aspecten worden onderverdeeld. Beide begrippen hebben veel aspecten gemeen, het is interessant om te kijken naar de overlapping en mogelijkheden tussen deze twee domeinen. Als ontwerper moet je jezelf hierbinnen profileren. Ontwerp is namelijk niet alleen wat doorgaans met de term cultuur (lees: artistiek) wordt aangeduid maar is een dienende discipline. Je moet als ontwerper verschillende aspecten benaderen, gebruiken en toepassen, dat is tevens de toegevoegde waarde van ontwerp; de procesmatige benadering of overview. Ontwerpers kunnen zich deze openingen eigen maken. Dit betekent ook dat je de consument tegemoet komt. Het ontwerpen is steeds meer oplossingsgericht. Van deze relatie tussen opdrachtgever en ontwerper zou veel meer gebruik kunnen worden gemaakt.Aansluitend hierop kunnen we spreken van een toename van procesdesign versus ‘ding’-design: Het ontwerpen van ‘dingen’ wordt minder belangrijk dan de meer integrale aanpak van een proces. Ontwerpen wordt synchroon aan deze trend wellicht meer een houding. De ontwerper analyseert wat er precies gebeurt. Zo houdt de ontwerper bijvoorbeeld een spiegel voor waar dit nodig is en beperkt het beroep zich vaak niet langer tot het maken van een materieel product. De ontwerper denkt op een fundamenteel vlak mee met de opdrachtgever. Soms heeft de opdrachtgever een radicale insteek nodig om op holistische wijze het businessproces te herzien, in deze gevallen is de ontwerper bezig met het ontwerp van de complete onderneming, identiteit of productlijn. Duurzame en goede producten of diensten vloeien hier uit voort. Binnen deze ontwikkeling wordt grote aanspraak gedaan op het analytische vermogen van een ontwerper.Na deze evaluatie van verschillende ontwikkelingen kan terug worden gegaan op de vraag waarmee werd begonnen.
Hoe kunnen we er voor zorgen dat artistieke, creatieve of innovatieve waarden in het ontwerpen behouden kunnen worden?
In eerste instantie komen hier twee adviezen voor ontwerpers uit naar voren:
• Ontwerpers moeten hun taal aanpassen aan de opdrachtgever. Vaak hoeft een mooi, innovatief en/of goed design bijvoorbeeld niet duurder te zijn op lange of zelfs korte termijn. Vertaal het creatieve concept naar de opdrachtgever, wellicht door een kosten/baten analyse. • Gebruik best practices als goede voorbeelden en laat zien wat design mogelijk maakt. De goede voorbeelden worden nog te weinig gecommuniceerd en moeten prominent ingezet worden..Dit is echter nog slechts een gedeelte van de relatie tussen opdrachtgevers en ontwerpers, namelijk het aandeel van de laatstgenoemden. De opdrachtgevers moeten gekoppeld kunnen worden aan ontwerpers die iets kunnen met de eisen van het bedrijf of de instelling. Om er voor te zorgen dat er meer belang aan goed ontwerp gehecht wordt door opdrachtgevers is het belangrijk dat er incentives worden gecreerd om (goede) innovatieve ontwerpers aan te nemen. Daarom is het advies aan de overheid en overigeopdrachtgevers als volgt:
• Goed innovatief design dient nog meer worden gestimuleerd. Dat kan bijvoorbeeld door een design-ISO-classificering te verlenen of door bedrijven met goed design te rangschikken in een soort quote-index.
Deze classificering kan bij voorkeur door het bedrijfsleven worden opgezet als een indirecte of directe peer-review, maar zou mogelijk ook vanuit de overheid kunnen worden georganiseerd. Goed ondernemerschap, dat wil zeggen het goed gebruik van design door de onderneming, wordt aldus gestimuleerd en kan eventueel ook beloond worden met belasting-incentives.
TAFEL 3 opleidingen
verslag: Aetzel Griffioen
Tafel 3 (eerste ronde)
Jeroen Deckers (moderator)
Jos Holtkamp (moderator)
Aetzel Griffioen (verslag)
Matthijs van Dijk
Maarten Kolk
Christien Meindertsma
Lonny van Ryswyck
Tafel 3 (tweede ronde)
Jeroen Deckers (moderator)
Jos Holtkamp (moderator)
Aetzel Griffioen (verslag)
Hugues Boekraad
Coen Boudesteijn
Nikki Gonnissen
Richard van der Laken
Design en de opleidingen
Aan tafel drie begint de eerste ronde met een hoogleraar en drie recent afgestudeerde ontwerpers. Al bij aanvang van het gesprek wordt duidelijk dat het verschil tussen Bachelor en Master in de ontwerpopleidingen deze avond veel aandacht zal krijgen. De tafelgenoten zijn het erover eens dat er nu te weinig verschil tussen de twee opleidingsniveau’s bestaat en die overeenstemming is de basis voor een geanimeerd gesprek over het leven en werk van de ontwerper. Deze avond is de meest gehoorde uitspraak dat de Masteropleiding eigenlijk niet meer is dan “nog een jaartje academie.” Een beter uitgangspunt voor een stevige discussie over de Nederlandse ontwerpopleidingen kan tafel drie zich niet wensen.Praten over de opleiding is praten over de praktijk. Hoezeer moet het onderwijs aansluiten op de wensen vanuit de markt? Hebben opdrachtgevers gelijk wanneer zij klagen dat academieverlaters niet genoeg weten van het echte leven? En is boekhouden werkelijk een noodzakelijk onderdeel van de opleiding? Om deze vragen te kunnen beantwoorden richt de tafel zich eerst op de praktijkervaring van de academieverlaters, die alledrie van dezelfde academie komen. Vooral de administratieve lessen blijken in de praktijk zo anders uit te pakken dan de lessen deden voorkomen, dat de beginnend ontwerpers zich gedwongen zagen het na hun studententijd helemaal zelf uit te vinden. De realiteit is dat veel van de praktische ondernemersvaardigheden alleen in de praktijk geleerd kunnen worden, en dat die praktijk zich pas ontvouwt in de vijf jaren nadat de examencommissie de student heeft uitgezwaaid. De bachelorstudent is vaak nog niet toe aan ondernemingsvaardigheden. Omdat de richting die een ontwerper wil inslaan alleen duidelijk wordt na een flinke periode van trial and error, moet er tijdens de opleiding meer focus komen op het vak, en minder op de markt. Alle aangezetenen zijn van mening dat de inhoud van het ontwerpen op de voorgrond moet komen te staan, en dat de oriëntatie op de markt wel belangrijk is, maar niet in administratieve lessen ligt. Eén mening is dat ontwerpers eigenlijk geen producten meer ontwerpen, maar relaties. Het tijdperk van de autonome conceptuele vormgeving lijkt voorbij. Er is meer behoefte aan een contextuele benadering waarbij de aandacht voor de betekenissen van producten centraal staat i.p.v. de focus op het object op zichzelf. In de discussie die volgt komen twee verschillende opvattingen over de positie van ontwerpers aan bod: ín de samenleving en boven de samenleving. Moet de ontwerper in de oude rol van de architect kruipen, een betere wereld bedenken? Bijna buurtwerker worden?
Het blijft bij een opening naar een discussie over de creatieve klasse, want het gaat vanavond tenslotte om onderwijs. En eigenlijk lijkt de keuze voor werken in de samenleving of erboven, voor dienstbaarheid of autonomie, meer te maken te hebben met het temperament van de sprekers dan met een inhoudelijk verschil. Anders dan de politieke implicaties van het vak is een eigen missie en een uitgesproken opleidingsprofiel.wel belangrijk voor de opleiding. Veel ontwerpopleidingen zijn meer van hetzelfde en ontberen eigenheid.
Na de academie zijn twee van de aanwezige ontwerpers een veel theoretischere richting ingeslagen dan de academie bood. Daarom verdedigen zij nu dat de academies meer theorie moeten toelaten. Echter, de andere twee benadrukken juist dat ontwerpen ook een kwestie van intuïtie of gevoel kan zijn, en dat theorie daar niet noodzakelijkerwijs iets aan bijdraagt. De tafel concludeert dat HBO en WO beter moeten gaan samenwerken om geïnteresseerde studenten facultatieve mogelijkheden tot theoretische verdieping aan te bieden. In het kort:
- Meer aandacht in de ontwerpopleidingen voor voor het intuïtieve en het kennisgerichte en als bron voor het ontwerp de eigenheid van het ontwerpproces;
- De twee niveaus van dat proces via projectmatig werken benadrukken en crossover tussen HBO en WO verbeteren met facultatieve cursussen;
- Het verschil tussen BA en MA vergroten, waarbij de MA de vragen moet behandelen die een jonge ontwerper in de praktijk heeft opgedaan.
-Ronde 2-
Waar ronde één vertrok vanuit de ervaringen van jonge ontwerpers, zaten er in de tweede ronde alleen mensen aan tafel met een track record van enkele decennia. Met twee grafisch ontwerpers en één ingenieur neigde het gesprek naar de kant van de immateriële productie. Toch kwam ook het ontwerpprincipe ‘vorm volgt functie’ aan bod, zij het in verholen vorm. Het gaat niet om theoretische kennis maar de fragmentarisatie van de kennis zoals dikwijls het resultaat van de minors in de opledingen is. In tegenstelling met de vorige ronde was men namelijk terughoudender om meer theoretische elementen aan te brengen in de opleiding. Ontwerpers hebben de hulpwetenschappen niet nodig om tot een goed ontwerp te komen. Hoewel sommige studenten wel behoefte kunnen hebben aan theoretische conceptvorming, dreigt het gebruik van een algemeen geldend conceptueel taaltje van ontwerpers, architecten, kunstenaars, activisten en aangelengde wetenschap de creatieve sector lam te leggen. Er heerst een ‘dodelijke mix’ van allerlei halve kennissoorten. Het lijkt soms wel alsof iedereen hetzelfde aan het doen is. Daarom valt de eerste aanbeveling al snel: “Analyseer het specifieke kunnen van de ontwerper en pas daaraan de opleiding aan.” Ontwerpers moeten een ‘vormentaal’ vinden “in de geheimzinnige zone waarin de vorm zelf een betekenis heeft.” Zelfs theoretische minors kunnen daar slechts voor een enkeling wat aan bijdragen. Daarom is samenwerking met andere disciplines plausibeler vanuit een intergrale optiek dan dat de ontwerper alles zelf probeert.
Schoenmaker blijf bij je leest? Eerder dan een pleidooi voor de terugkeer van oude waarden gaat het hier om het terugvinden van de specifieke kracht van de ontwerper. Vanuit die kracht kan de ontwerper zijn blik opgooien naar andere disciplines. Echter, ook hier geldt dat integratie geen assimilatie moet worden. Via deze kritische omweg vinden de grafici en de ingenieur elkaar in een pleidooi voor een nieuw vakmanschap: net als machines zo optimaal mogelijk moeten functioneren, moet ook grafisch ontwerp dat doen. De ingenieur ontwerpt het schip, maar kan gebruik maken van een goede ergonoom en iemand die speelt met de uitstraling van de boot. De ontwerper maakt grafisch inzichtelijk hoe bijvoorbeeld de stad aan het veranderen is, en boogt daarbij op de kennis van onderzoekers. Tegen de nivellering van het onderwijs volgen nog twee aanbevelingen, één voor Minister Plasterks onderzoekscommissie voor het Hoger Onderwijs; één voor de academies. Het resultaat van de tweede ronde:
- De huidige wijze van accreditering draagt onvoldoende bij aan kwaliteitsverbetering van en heroriëntatie op het ontwerponderwijs.
- Dwing de academies in drie jaar zich te profileren
- Focus op vorm en benader kennisoverdracht vanuit die vorm.
.-.