Verslag 'The Shows Must Go On...!'
VERSLAG: Evelien Griffioen.
‘THE SHOWS MUST GO ON’
Maandag 25 oktober werd in de Machinekamer op Strijp S te Eindhoven als bijdrage aan de Dutch Design Week het debat over de zin en onzin van designbeurzen gehouden. Ter gelegenheid van dit debat en in opdracht van Design Platform Rotterdam is wederom een beperkte oplage verschenen van deze keer twee essays, geschreven door Arjo Klamer (EEN ECONOMISCHE BLIK OP DESIGNBEURZEN) en Peter van Kester (BEURZEN 2010: FAIR OR FANCY?) Daarnaast stelde Peter van Kester een actueel overzicht samen van relevante designbeurzen en hun karakter. De in opdracht van Premsela ontwikkelde ‘Design networks map’ (research Katja Nijman, vormgeving Richard Vijgen) is een grafische weergave van het designeventsnetwerk en geeft een visuele weergave van de 40 belangrijkste designbeurzen en 700.000 deelnemers. Deze kaart is beschikbaar gesteld aan alle aanwezigen in de Machinekamer en via de website.
Onderwerp van het debat in de Machinekamer was de rol en de relevantie van designbeurzen. Hoe bepalen ontwerpers waar wel en waar niet heen te gaan? Wat moeten we verwachten van design evenementen als DDW? Zijn er teveel beurzen en evenementen? En wat te denken van de verschillen, alleen al in focus van een beurs op vakdisciplinair versus algemener gebied. Welke gevolgen heeft dit voor alle partijen? Wat is de sociale waarde van de beurzen en evenementen? Deze vragen hebben tijdens het debat geleid tot een beeldvorming van de situatie, een duidelijk antwoord was echter lastig te vinden.
Aanwezig om de bovenstaande issues en vragen te tackelen waren deze avond:
* Peter van Kester; journalist
* Arjo Klamer; professor in de Economie van Kunst en Cultuur
* Robert Jan Marringa; directeur Design Cooperation
* Miriam van de Lubbe; ontwerper
* Tracy Metz; journalist
* Marcel Vroom; ontwerper
Deze 'beurskenners', beleidsmakers, ontwerpers, journalisten en ook de auteurs van de essays, zijn op het podium in 'de Machinekamer' het vuur aan de schenen gelegd door moderator Lucas Verweij, over hun beurzenstrategieën en hun mening over de beurzen.
Lucas Verweij opende de avond met een korte inleiding, een korte geschiedenis van de designbeurs. Zo’n dertig jaar geleden ontstond een enorme explosie van evenementen en herindeling van agenda’s. Echter is er nooit één letter geschreven over de relevantie van deze evenementen voor ontwerpers. Wat heb je er aan als ontwerper? Wat kan ik ermee winnen? In de essays van Klamer en Kester wordt hier de focus op gericht, vanaf de economische kant en vanuit het culturele perspectief.
Design is een aandachtseconomie; aandacht voor je ontwerpen krijgen wordt steeds belangrijker. Beurzen zijn nodig om deze aandacht te concentreren. De normale markt voldoet niet, al begint internet steeds belangrijker te worden; internet bereikt een grote groep mensen op tamelijk eenvoudige wijze. Het gaat echter niet alleen om het product; het gaat om het gesprek tussen de ontwerper en degene waarvan hij aandacht wil, waaraan hij zijn vaardigheden wil tonen. Daarvoor is een beurs nog altijd een boeiende plek. Elke beurs moet echter de juiste strategie kiezen voor de juiste partijen. Marringa legt uit; “DDW is begonnen als de Dag van het Ontwerp vanuit de ontwerpwereld zelf.” Ondertussen is de DDW uitgegroeid tot een evenement van negen dagen en een podium voor vele nieuwe ontwerpen en nieuwe ontwerpers. Waarom komen er veel goede ontwerpers heen? Het plan niet te strak maken, maar wel de ontwerpers aanschrijven; “Kom je presenteren en maak connecties”, aldus Marringa. DDW is all about dialoog en verbindingen; het is een evenement, een samenkomst, geen beurs maar een podium.
Marcel Vroom, ontwerper, heeft vele beurzen bezocht. Hij is echter afgestapt van het op beurzen staan. Hij legt uit dat een relatie ontstaat door vaker te ontmoeten. Zeker in een tijd van crisis is het een goede bezigheid voor een ontwerper. Vroom heeft wel met een grote groep door Nederland gereisd en heeft uiteindelijk ook een keer op een beurs gestaan. Achteraf gezien stom dat dat eenmalig was; ontwerpers zouden veel meer bij elkaar moeten kruipen vind hij. Rondtrekken en contacten opbouwen, de kracht van herhaling! Klamer voegt toe dat het echter niet alleen om de contacten gaat; het gaat ook om reputatie. Maar weegt het rendement wel op tegen de kosten? Specifiekere beurzen zou je aandoen met een meer commercieel perspectief voor de juiste contacten, maar deze zijn ook duurder. Maar goed, dat is dan het risico van het ondernemerschap vind Klamer. Je moet het wel volhouden wil je er rendement uit halen.
Maar wat is dan de rol van het publiek? Zij leveren niet heel veel bij aan het gesprek. Zij dragen niet bij aan transacties. Waarom zouden deze evenementen, zoals DDW, interessant zijn? Willen we dan geen dagjesmensen meer? Is vrij makkelijk op te lossen door hogere toegangsprijzen. Marringa legt echter uit dat dit niet de bedoeling is van de DDW. Er is geen commerciële doelstelling, en toch presenteren ook bureaus als Van Berlo zich hier. De Helsinki Design Week is een voorbeeld waar wel gericht wordt op keiharde transactie. Maar als de ontwerpers niet ingesteld zijn op transacties, waarom zijn ze dan hier? Publieke aandacht? Klamer legt uit dat de kloof tussen ontwerp en kunst steeds kleiner wordt; steeds meer ontwerpen schuren in autonomere vorm tegen kunst aan. Vandaar wellicht de minder commerciële doelstelling van de DDW. En de rol van de stad? Oorspronkelijk komt het initiatief uit de ontwerpwereld zelf, maar uiteindelijk is de DDW een enorme bijdrage aan de pr van Eindhoven als designstad. Marringa legt uit dat de DDW voor de stad prima past binnen hun economische speerpunten van het ontwikkelingsbeleid. Dit is waar het ‘klootjesvolk’, het publiek niet nutteloos blijkt; zij hebben een enorme rol in het after effect, men praat, er ontstaat een verhaal rond Eindhoven. En als we zeggen dat ontwerpen steeds meer richting art neigt, dan moeten we ook toegeven dat de ontwerpers het publiek nodig hebben voor hun stardom. Dat is de publieksrol. Maar het gaat voor de ontwerpers ook om de ervaring en de bruisende energie van zo’n evenement.
De vraag is echter nog steeds: waarom ga ik als ontwerper naar deze beurs of dit evenement? Klamer is van mening dat dit meetbaar gemaakt moet worden, meer overzicht van de doelstellingen; de publieke doelstellingen, commerciële doelstellingen, professionele doelstellingen, marketing voor de stad. Hoe scoort het evenement of de beurs op deze verschillende punten en wat is de waarde daarvan voor de ontwerper? Hoe kun je dit monitoren? Het zijn volgens Klamer echter objectieve én subjectieve gegevens, waardoor we vaak niet goed doorhebben wat beurzen bijdragen, ook aan de steden. Marringa verklaart dat overheden hier niet mee bezig zijn, maar hoe belangrijk is hun bijdrage? Éen ding staat vast; zonder de ontwerpwereld en de kleine ontwerpers is de Designweek dood.
Van Kester heeft onderzoek gedaan naar de betekenis van beurzen en evenementen voor ontwerpers. Hij heeft een groot aantal ontwerpers gesproken over hun ervaringen met beursdeelname en kreeg meestal het volgende advies; ‘niet doen, het kost teveel en levert te weinig op’. Uiteindelijk heeft het echter voor veel ontwerpers wel veel opgeleverd; het is geen ja of nee antwoord, het ligt veel ingewikkelder. Miriam van de Lubbe, ontwerper, legt uit wat haar strategie is; “Alleen Milaan elk jaar en verder niet”. Na haar afstuderen was Milaan haar eerste beurs, hierna kreeg ze direct veel aanvragen voor presentaties. Veel te veel voor een klein ontwerpbureautje. Nu, na vijf jaar, blijkt dat het wel werkt. Daarom heeft ze besloten alleen Milaan te doen, één keer alle tijd en geld in steken voor optimaal rendement. Het is ook mogelijk om je werk door een opdrachtgever neer te laten zetten, scheelt tijd en geld, maar dan mis je de actieve presentatie en wordt je werk onderdeel van een tentoonstelling. De mogelijkheid om dan op meerdere beurzen te staan zonder extra tijd ‘verspilling’ is er dan wel. En die tijd is wel degelijk een probleem; een ontwerpbureau moet ook gewoon werken!
Er zijn altijd winnaars en verliezers volgens Tracy Metz. De grote winnaars zijn de steden; het is een belangrijk middel om zich in de picture te krijgen, het is city marketing, aandachteconomie, het hippe ‘place to be’ imago. Een andere grote winnaar is het publiek. Het is een uitje, het is entertainment. En niet te vergeten de media, het is een graasgebied voor de media! Grote verliezers zijn de ontwerpers; zij worden voortgejaagd door de drang om te produceren, wat leidt tot weinig gelegenheid tot diepgang en reflectie. Vroeger ging de pers langs de beurzen, tegenwoordig kijkt men ook veel op internet, maar de rol van bladen en kranten moet niet onderschat worden. Volgens van Kester is het ‘zelf zien’ heel belangrijk; hoe verklaren we anders de explosie van het aantal ontwerpbeurzen parallel aan de explosie van het internet? Beurzen bezoeken kost duidelijk veel tijd voor de ontwerpers. Maar hoe maak je dan een keuze? Wat zijn de grote verschillen? Op de beurs in Basel sta je alleen als je al een bepaalde reputatie op hebt gebouwd, Miami kent bijvoorbeeld veel galeries met veel transacties. In Frankfurt is een verschil gemaakt tussen de ‘mensen onder elkaar’ en latere openingstijden voor publiek. Is deze scheiding te kunstmatig? Milaan kent maar één dag opening voor publiek, wat direct één groot circus is. Wat is nou de juiste strategie? Zijn vakbeurzen überhaupt wel interessant voor publiek? Komt een bescheiden evenement wel terecht in het gesprek? Ja, blijkbaar wel, kijk maar naar de DDW en wie er staan.
Ondertussen is design ook een exportproduct van Nederland geworden. Aantoonbaar door handelsmissies van kunstenaars naar Hongkong bijvoorbeeld. Dit zijn zware investeringen voor de overheid, maar levert wel waardevolle contacten. De creatieve industrie is de toekomst volgens velen, en daar moet nu in geïnvesteerd worden. En hoe dan met dit kabinet?
Tijdens de vragenronde komt ook het aandeel en de waarde van de designprijzen aan bod. “Kan een designprijs op zichzelf staan?” Designprijzen zouden meer aandacht moeten krijgen volgens van Kester; ze zouden meer in het nieuws moeten zijn. De context is wel juist; een evenement en een designprijs lijken elkaar te versterken. Deze prijzen kunnen een carrière een vogelvlucht geven. Echter, de kunstacademie profileert zich hier als veelzijdig, maar we moeten niet gaan claimen dat we als ontwerpers de hele wereld kunnen verbeteren. Het moet wel geloofwaardig blijven en dicht bij het hart. Volgens Metz is het een belichaming van de aandachtseconomie. Teveel is niet goed, maar voor de ontwerpers zelf werkt het wel als CV en als aanbeveling.
Ondertussen is de vraag of en waarom we nog naar de designbeurzen zullen nog niet beantwoord. Maar laat één ding duidelijk zijn; we moeten niet willen kiezen voor een rechtse hobby, maar juist voor publieke communicatie, niet voor de blingbling. Volgens Marringa zijn er veel successen en daarom wil iedereen meedoen. Maar we moeten toch willen blijven concentreren op het designDNA van de stad: “ik voel op de beurs geen verantwoordelijkheden tegenover de ‘huisvrouw uit Alkmaar’”, aldus Miriam van de Lubbe.
Verslag: Evelien Griffioen

volg deze link voor verslag van Rob Schoonen www.ed.nl

volg de link naar www.design.nl voor verslag van Jeroen Junte

Een Vlagplantsessie die prima verliep op maandag 25 october 2010 in 'De Machinekamer' op Strijp S te Eindhoven. In samenwerking met Premsela organiseerden wij:
...The Shows Must Go On...
Een heroriëntatie op de rol en betekenis van de internationale design fairs en awards.

Lucas Verweij, moderator, in gesprek met:
|
Peter van Kester journalist
|
 |
|
|
Arjo Klamer professor in de Economie van Kunst en Cultuur
|
 |
|
|
Robert Jan Marringa directeur Design Cooperation
|
 |
|
|
Miriam van der Lubbe ontwerper
|
 |
|
|
Tracy Metz journalist
|
 |
|
|
Marcel Vroom ontwerper
|
 |
|
Het debat werd als volgt ingezet:
Deze 'beurskenners', beleidsmakers, ontwerpers, journalisten en de auteurs van de essays, worden op het podium in 'de Machinekamer' indringend bevraagd, zoals u van Lucas Verweij gewend bent, over hun beurzenstrategie. Hoe bepalen ze waar ze wel en niet heen gaan? Wat verwachten professionals van niet-beursachtige evenementen, zoals Dutch Design Week? Zijn er misschien teveel design events?
New York, Istanboel, Kortrijk, Bazel, Milaan, Berlijn, Frankfurt, Tokio en Miami. Een greep uit de steden die een designbeurs of design award event hosten. Maar ook Amsterdam, Eindhoven, Utrecht en Rotterdam bieden design events. Sommige hebben een duidelijk vakdisciplinair profiel terwijl andere meer algemeen zijn. Door de overvloed hebben ontwerpers, maar ook de pers, een strategie nodig om daarmee om te gaan: waar doe ik wel aan mee, en waar niet? ‘The shows must go on’ gaat over de groei van het aantal designbeurzen en festivals. Wat verwachten ontwerpers van beurzen, nu de publicitaire waarde ervan aan het afnemen is? Daar staat tegenover dat de sociale waarde van beurzen almaar toeneemt. Op goede beurzen 'is iedereen er': opdrachtgevers, ontwerpers en pers. In tegenstelling tot de 'slechte beurs'. Klopt dat beeld? Is het voor een professional tijdverspilling om daarbij aanwezig te zijn?
Essays.Wij publiceerden deze sessie twee gebundelde essays. Arjo Klamer schreef over dit onderwerp vanuit economisch en Peter van Kester vanuit cultureel perspectief. De essays zijn tevens op de websites van Premsela en DPFR gepubliceerd. Op de avond zelf ontving het tachtigkoppig publiek een eigen genummerd exemplaar. Bovendien werd een infographic mapping over 's werelds hedendaags belangrijkste beurzen aangereikt en uitgebreid on stage besproken met ontwerper Richard Vijgen. Het onderzoek kwam van Katja Nijman.
Een aanzienlijk deel van het aanwezig publiek was afkomstig uit Rotterdam gebruikmakend van een georganiseerde busrit, 'Design Ride', met uiteraard de gelegenheid om geruime tijd het aanbod van de Dutch Design Week te beleven.
VERSLAG. Binnenkort zal hier een verslag van deze sessie verschijnen. Daarover zullen wij onze design community berichten. WIlt u daar direct deel van uitmaken, meld u zich dan aan. U bent welkom..!

