Vlagplantsessie #3
X
'CONTEMPORAINE ONDERSTROMEN'
X
Verslag Vlagplantsessie #3, donderdag 5 april 2007 om 19.00 uur in de Orange Flagship Store, Lijnbaan 54, Rotterdam
X
Het thema van de derde vlagplantsessie is: contemporaine onderstromen. Wat kan een designplatform leren van, en doen voor, eigentijdse creatieve bedrijvigheid?
Lucas Verwey en Willem Kars heten de aanwezigen welkom in de Orange Flagship store, vooral de jongeren onder hen, omdat we vandaag praten over eigentijdse voorbeelden van creatieve bedrijvigheid.
Vijf jonge, representatieve sprekers zijn bereid gevonden om hun bedrijven en ideeën te presenteren.
1. Seb van Deursen - Zicht Nieuwe Media Ontwerpers. Het bedrijf bestaat 10 jaar en telt 14 personeelsleden. Seb is zelf afgestudeerd als productvormgever aan de TU Delft. Het bedrijf is gehuisvest in een oud pakhuis aan de Coolhaven. Hij presenteert diverse websites (o.a. Douwe Egberts, Terre des Hommes, Gispen) en benadrukt het belang van de functionaliteit van het ontwerp.
Seb stelt dat deze serie avonden eigenlijk als een reizend designplatform beschouwd kan worden.
Zijn bureau heeft een groter netwerk nodig dan het nu heeft om te kunnen functioneren, liefst in Rotterdam. De koppeling van verschillende bestaande netwerken kan plaatsvinden binnen het kader van een platform. Zicht stelt zich beschikbaar om een mooie website voor het toekomstige platform te ontwikkelen.
Lucas Verweij wil graag te weten komen welk beeld de jongere generatie ontwerpers heeft bij een designplatform, en of dat afwijkt van het beeld dat hij zelf heeft. Wat moet zo’n platform doen?
Seb somt op:
- discussie entameren in het vakgebied en daarbuiten
- topontwerpers presenteren aan de ontwerpers community, opdrachtgevers en belangstellenden
- interessante exposities organiseren
- In een virtueel designplatform gelooft Seb niet: je moet het live kunnen ervaren.
2. Hendrik-Jan Grievink ontwerpt in diverse media. Hij positioneert Tibor Kalman als een van de meest relevante ontwerpers van de afgelopen tijd en verwijst voor zijn eigen gedachtegoed naar Kalman's boek ‘Reverse optimism’. Grievink stelt dat de creatieve economie-theorie beschouwd moet worden als een westerse strategie om de westerse economie op orde te brengen en te positioneren t.o.v. de lage lonen landen. Grievink heeft onlangs een krant over dit onderwerp gemaakt en breed verspreid.
Grievink stelt dat ontwerpen vooral gaat over beelden over de tijd waarin we leven en dat dit niets nieuws is, maar van alle tijden. Het gaat steeds over citeren en interpreteren, over het discours. Hierin zou het designplatform een rol moeten vervullen. Hij verwijst naar de vroegere Salon van het NAi, waar architecten elkaar konden ontmoeten. Dit wordt node gemist in de stad. Geen ontwerperstheekransje, maar openbare ontmoetingen met een scherpe actuele en thematische agenda. Contacten met politiek en bedrijfsleven zijn ook interessant, maar wat hem betreft niet als eerste doelstelling.
En passant definieert hij Rotterdam als een ‘optelsom van ongelukken’.
3. Jeroen Verhoeven (Demakersvan) en zijn collega’s studeerden aan de Designacademy in Eindhoven maar vestigden zich bewust in Rotterdam. Jeroen vindt Rotterdam zo interessant omdat een een close ontwerpgemeenschap is, waar hij zich prettig in voelt. Zijn bedrijf werkt o.m. voor Heras (kantklos-hekwerk) en Fatboy, maar ook voor non-profit organisaties. Samen met Heras heeft hij een fabriek opgezet in India, waar inmiddels 21 mensen werken.
Jeroen ziet als voornaamste functie van het designplatform de communicatie tussen ontwerpers onderling en met opdrachtgevers en publiek.
Hij houdt een pleidooi naar de gemeente om Rotterdamse ontwerpers in te schakelen bij het vormgeven van de openbare ruimte, zodat het ontwerptalent fysiek zichtbaar wordt als onderdeel van het ‘merk’ Rotterdam. Weinig steden hebben zo’n concentratie van ontwerpkracht als Rotterdam. De stad heeft behoefte aan beelden zonder commerciële boodschap, die beelden kunnen door ontwerpers worden gemaakt. Ook straatmeubilair met een eigen, Rotterdamse identiteit zou veel kunnen bijdragen aan de beleving van de stad.
Jeroen wijst erop dat er een financiële injectie nodig is om contacten en de inrichting van de stad te verbeteren. Anderzijds stelt hij dat veel vormgevers graag persoonlijk willen bijdragen aan de verbetering van de stad, maar dan moet het ze wel gevraagd worden. Het platform kan hierin een rol vervullen.
4. Dennis Lohuis van Young Designers and Industry deed de studierichting Public Space aan de Designacademy. Dat gaat niet alleen over de betekenis die veranderingen in een omgeving kunnen bewerkstelligen, maar ook over het ‘ontwerpen van het ontwerpproces’. Hij ziet zichzelf als ‘interactieontwerper publieke ruimte’. Hij stelt graag sociale problematiek aan de orde en wil met ontwerpers en betrokken partijen een veranderingsopgave invullen. Sociale cohesie-projecten, nieuwe vormen van mantelzorg, samenwerkingsprojecten tussen diverse diensten (onderwijs, sport etc) liggen op zijn terrein.
Hij toont beelden van een buitenschools jongerenproject over identiteit en betrokkenheid, waarin 38 jongeren samenwerkten met 12 mode-ontwerpers, stichting Doen en KvK.
Dennis ziet het opzetten van projecten als deze vlagplantsessies als core business van een designplatform: hij noemt dit ‘designmanagement’. De ontwerpwereld transparant maken voor de buitenwereld en functioneren als ‘schakelkast’.
Jurgen Bey laat vanuit het publiek, horen dat hij het educatieve belang van het platform nog eens aan de orde wil stellen.Tevens wijst hij erop dat er aansprekende ontwikkelingen plaatsvinden, zoals de nieuwe visie van het Havenbedrijf Rotterdam op de publieke ruimte in de haven. (Het Havenbedrijf wil de gebouwde omgeving in het havengebied visueel aantrekkelijker maken door meer ontwerpkwaliteit toe te voegen aan te bouwen objecten – PV).
5. Joost van Gorsel (www.iconique.com) is in de ontwerpwereld terecht gekomen via zijn studie Business Management aan de EUR. Hij heeft zijn bedrijf opgezet rond mode.
Joost spreekt zich uit over het belang van de zichtbaarheid van design. Het platform moet in zijn ogen allereerst het collectieve imago van de Rotterdamse ontwerpscene vertegenwoordigen en regie voeren op de zichtbaarheid ervan. Dat betekent: contacten met de pers, Rotterdam branding, het bijhouden van een database Rotterdamse vormgevers etc. Het moet voortkomen uit de ontwerpers zelf, en niet van bovenaf (door de gemeente) worden opgebouwd. Als de ontwerpers zich krachtiger manifesteren doet de gemeente wel mee, stelt Joost.
De gemeente heeft vooral een faciliterende rol. Maar het platform kan voor ontwerpers ook een toegang naar de gemeente vormen, zodat de gemeente zelf als onderzoeksobject kan worden ingezet en beter kan functioneren als opdrachtgever.
Gast Carel Kuitenbrouwer uit Amsterdam stelt dat Rotterdam een braakliggend terrein is op het gebied van ontwerp. Hij roept de Rotterdamse ontwerpers op om zelf iets te doen met de stad: er is een enorme noodzaak om maatschappelijke zaken aan te pakken. Amsterdammers doen dat ook.
Lucas en Willem sluiten de avond af met de opmerking dat de vorm ‘vlagplantsessie’ in wezen de meest eenvoudige vorm van een designplatform behelst.
Het vervolg:
- Grote lijnen en thema’s uit de 3 discussies halen
- Rotterdamse thema’s benoemen (duurzaamheid, transport etc)
- Businessplan voor designplatform schrijven
- Een groep mensen bij elkaar zoeken die hieraan bijdragen (een ‘elftal’)
- Een geschikte en goed bereikbare lokatie zoeken
- Een kwalitatief goed programma ontwikkelen
‘Rotterdam is de werkplek, de wereld is ons werkterrein’
Verslag: Paulette Verbist, RRKC