In de spotlight
Zoek in ons archief op
naam, trefwoord of datum:
Matthijs van Dijk: “Pas wanneer we de wereld accepteren zoals ze is, kunnen we beginnen haar te verbeteren.”
Ontmoet
Matthijs van Dijk
(1965), design thinker, hoogleraar aan de faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft, en oprichter van
Reframing Studio. Samen met een multidisciplinair team van 15 mensen begeleidt hij bedrijven, non-profitorganisaties en overheden bij het gezamenlijk herontwerpen van alternatieve toekomstbeelden. Zo zetten zij veranderingen in gang bij complexe maatschappelijke vraagstukken op het gebied van gezondheidszorg, mobiliteit, ecologie, onderwijs en democratie. In dit gesprek gaan we dieper in op Matthijs’ visie op design als instrument voor veranderingen in de samenleving.
Door Anna Swagerman
Wat heeft jouw blik op design gevormd?
“Ik ben oorspronkelijk opgeleid als roboticus aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). In dat vakgebied kom je complexe vraagstukken tegen. Juist het omarmen daarvan heeft mijn blik op het creatieve proces aangescherpt. We ontwikkelden bijvoorbeeld een robot met extreem nauwkeurige eigenschappen, waardoor we voortdurend tegen de grenzen van de fysica aan liepen. Ik ontdekte dat veel van die grenzen vooral gebaseerd zijn op onze aannames; keer op keer konden we ze toch weerleggen. De realiteit is buigzamer dan we doorgaans aannemen. Dat fascineerde me.”
Hoe ben je uiteindelijk bij design terechtgekomen?
“Ik was altijd gefascineerd door robotica, maar mijn oudere zus waarschuwde me: “Matthijs, kies dat niet — daar werken bijna alleen maar mannen.” Ze vond het belangrijk dat ik een vak koos dat representatiever was voor de samenleving, dus besloot ik een postdoc-opleiding bij Industrieel Ontwerpen in Delft te gaan doen. Ik vond dat erg interessant maar was verrast door de beperkte wetenschappelijke basis. De feedback die ik op mijn ontwerpen kreeg, leek willekeurig en afstandelijk. Ik vroeg me af welke onderliggende principes het ontwerpproces sturen, en waarom er zoveel nadruk lag op functie in plaats van betekenis?”
Hoe ben je met deze vraag aan de slag gegaan en wat waren je bevindingen?
“Na mijn afstuderen kreeg ik de kans om aan de universiteit bij Industrieel Ontwerpen onderzoek te doen naar dit ontwerpproces. Omdat er nog weinig literatuur over beschikbaar was, was er een nieuw fundament nodig. Al snel ontdekten we dat ontwerpen niet alleen gaat om het maken van objecten, maar vooral om het tot stand brengen van relaties. Neem bijvoorbeeld het ontwerp van een ronde tafel; dit stimuleert een bepaald type sociale interactie, zonder machtsverschil. Maar als ontwerper kun je ook bijdragen aan het vormgeven van de relatie tussen burger en democratie, bijvoorbeeld door het ontwerpen van participatieprocessen.”
“Wie in de complexiteit durft te springen, ziet dat de wereld relationeel is.”
In hoeverre vond je aansluiting voor deze visie op ontwerp in de academische wereld?
“Ik merk dat er een algemene angst heerst voor complexiteit, voor het alles omvattende. We verdelen kennis het liefst in aparte hokjes en duiken steeds dieper de specialisaties in. De vakgebieden op de universiteit overlappen nog steeds in beperkte mate. Dat is op zich niet verkeerd, maar juist in de samenhang liggen de belangrijke opgaven. Wie in die complexiteit durft te springen, ziet dat de wereld relationeel is; alles is met elkaar verbonden.”
Naast je academisch werk, richtte je na je afstuderen ook een ontwerppraktijk op. Werkte je vanaf het begin volgens deze visie?
“Nee, mijn visie heeft zich geleidelijk ontwikkeld, juist door praktijkervaringen. In de eerste jaren ontwierp ik bijvoorbeeld straatmeubilair en sieraden met Gijs Bakker, wat voor mij een geweldige periode was. Maar na verloop van tijd voelde ik dat er iets ontbrak. We kwamen vol enthousiasme en ideeën terug van de jaarlijkse designbeurs in Milaan, maar tegelijkertijd groeide bij mij de twijfel over ons bestaansrecht. Had ons werk wel voldoende impact?”
Besprak je die twijfels met collega-ontwerpers?
“Gek genoeg zocht ik altijd plekken op waar geen andere ontwerpers waren, om de confrontatie niet aan te hoeven gaan. Ik wilde niet concurreren met andere studio's, terwijl dat toen de status quo was, en nodig om vooruit te komen. Mijn onderzoek in Delft versterkte mijn overtuiging dat het oké was om me als ontwerper buiten de gebaande paden te begeven. Ik benaderde organisaties waarvan ik de maatschappelijke rol bewonderde en deelde met hen mijn visie op het creatieve proces. Ze bleken nieuwsgierig naar een samenwerking met een ontwerper. Zo groeide onze praktijk en dacht ik steeds minder in afgebakende rollen en machtsverschil, maar meer in een ecologie van gelijkwaardige disciplines en gemeenschappelijke doelen.”
“Ik zie onze praktijk als een socioloog van de toekomst.”
Hoe zou je momenteel omschrijven wat jullie doen als studio?
“Ik zie onze praktijk meer als een socioloog van de toekomst; wij observeren hoe onze samenleving zich verhoudt tot thema’s die in de komende jaren relevant zullen zijn. Hoe verhouden we ons in de toekomst bijvoorbeeld tot mentaal welzijn, voedselproductie of hedendaagse kunst? We stellen vast hoe we deze toekomst willen vormgeven. Op basis daarvan reiken we de samenleving handelingsmogelijkheden aan zodat ze kunnen participeren in de transitie van het heden naar de toekomst. Bij dit proces betrekken we ontwerpers, bedrijven en overheden.”
Kun je een voorbeeld geven van een recent project?
“We werken al meer dan 10 jaar aan Redesigning Psychiatry, een project waarin we de framing van mentale problemen herzien. In plaats van deze per definitie als aandoeningen te zien, die ‘genezen’ moeten worden, benaderen we ze als interactiepatronen die jou belemmeren om jouw eigen toekomst te realiseren en die met de juiste begeleiding te doorbreken zijn. Als team steken we veel energie in dit project, maar soms is de impact buiten ons zichtveld moeilijk waar te nemen. We zijn helemaal gelukkig als we positieve signalen uit praktijken ontvangen waarmee we niet direct samenwerken: steeds meer therapeuten beginnen onze visie en taal te gebruiken.”
“Als studio richten we ons niet op oordelen, maar op het herkennen van patronen.”
Wat vraagt het van jullie om samenwerkingspartners voorbij hun eigen kaders te laten kijken?
“Dat is heel divers. Er zijn veel organisaties die vanuit hun eigen agenda invloed willen uitoefenen op de samenleving; dan is er voor ons nog veel te doen. Als studio zetten we het oordeel niet centraal, maar het waardenvrije onderzoek. Wanneer mensen samen reflecteren op de uitkomsten van ons onderzoek, verschuift het perspectief: persoonlijke agenda’s vervagen en het collectieve belang komt naar voren. Pas dan ontstaat er weer ruimte voor een vrij oordeel. Dat is echt een magisch proces.”
Heb je hier een voorbeeld van?
“Een goed voorbeeld is de opgave rondom orgaandonorschap, waarin we samenwerkten met Ab Klink, destijds minister van Volksgezondheid. Hij had vanuit zijn christelijke overtuiging standpunten die botsten met het bredere maatschappelijke belang van orgaandonatie. Toch werden er gaandeweg beslissingen genomen die afweken van de christelijke waarden.”
Hoe kwam deze verandering tot stand?
“Door met elkaar in gesprek te gaan, lieten we zien dat je een toekomst niet kunt vormgeven vanuit één universele set aan opvattingen. Elke opgave vraagt om een hernieuwde afweging welke maatschappelijke waarden het meest gepast zijn om een transitie in gang te zetten. Het projecteren van vooringenomen abstracte waarden op een concreet vraagstuk brengt antwoorden meestal niet dichterbij. Een waarde als solidariteit is bijvoorbeeld verleidelijk om in te brengen, maar zo’n allesomvattend begrip leidt zelden tot wezenlijke verandering. En wat is dan de relevantie van alle energie die in het proces wordt gestoken?”
Is het eigenlijk meetbaar of een ontwerpproces effect heeft?
“Ik zie een ontwerper niet als iemand die huidige problemen oplost, maar als iemand die nieuwe mogelijkheden ontsluit voor de toekomst. Voor mij is effect van een ontwerpproces wel degelijk meetbaar, maar niet door vast te stellen welke problemen we opgelost hebben. Je herkent het effect in de nieuwe ervaringen, denkbeelden en taal die mensen omarmt hebben, die ze binnen hun eigen leven betekenisvol vinden.”
“Het is belangrijk dat je in je oorspronkelijkheid de ander niet uit het oog verliest.”
Toch hoop je met je werk de ander te bereiken…
“Ja, dat is een gevoelige balans. Een sterk ontwerp begint bij de eigenheid van de ontwerper: wie ben je als mens en wat wil je bijdragen? Tegelijk is het belangrijk dat je in je oorspronkelijkheid de ander niet uit het oog verliest. Als je de buitenwereld schaadt met wat je toevoegt, waar ben je dan mee bezig? Als je een brug slaat naar de ander, vanuit wat jou drijft, ben je op de goede weg. Vaak komt je werk dan vanzelf bij het publiek in beeld. Er zijn ook meer geforceerde manieren om zichtbaar te worden, maar die belemmeren een natuurlijke dialoog tussen je werk en de buitenwereld. Ik ben zelf ook in die valkuil gestapt toen ik net begon.”
Ben je erg veranderd als mens en ontwerper in vergelijking met vroeger?
“Aan de ene kant wel. Mijn houding is veranderd. Maar laatst las ik een paar columns die ik tien jaar geleden schreef, en daarin herkende ik ideeën die ik dacht pas recent te hebben bedacht. Blijkbaar had ik ze toen al! Vooruitgang is waarschijnlijk relatief. In essentie verandert een mens niet zozeer, maar je relatie tot de wereld wel.”
Heb je daar een persoonlijk voorbeeld van?
“De discussie rond Black Lives Matter heeft mijn perspectief bijvoorbeeld fundamenteel veranderd. Ik ben geen racist, maar ik realiseerde me dat ik wél deel uitmaak van een racistisch sociaal construct. Als ik die niet actief bestrijd, geef ik er impliciet aan toe. Dat besef sleep ik sindsdien met me mee: onze welvaart is mede gebaseerd op 300 jaar uitbuiting van andere landen, en daar draag ik verantwoordelijkheid voor.”
“Als ontwerpers hebben we meer impact als we vormgeven
met oog voor de werkelijkheid.”
Hoe sijpelt dat besef door in je ontwerppraktijk?
“Sommige collega’s in de studio willen de barricade op, en dat steunen we altijd. Maar zodra er tijdens demonstraties een sfeer ontstaat waarin goed en kwaad tegen elkaar worden uitgespeeld, voel ik persoonlijk terughoudendheid. Als studio onderschrijven we het concept amor mundi van Hannah Arendt. Dit gaat niet over een eenzijdige identificatie met het goede, waarbij alle verschillen vervagen, maar over het omarmen van de pluraliteit van mensen in het goede en het kwade. Pas wanneer we de wereld accepteren zoals ze is, kunnen we beginnen haar te verbeteren. Als je enkel bezig bent met ‘moralistisch handelen’, dan ontken je de realiteit. Als ontwerpers hebben we meer impact als we vormgeven met oog voor de werkelijkheid.”
Het is een dunne lijn tussen het omarmen van de huidige werkelijkheid en ermee conformeren…
“Dat klopt, maar andermans denkbeelden omarmen is iets anders dan daadwerkelijk de ander worden. Daar kun je als ontwerper flink de mist mee in gaan. Participatory design wordt momenteel alom gebruikt om gemeenschappen te vragen wat hen bezighoudt of waar ze behoefte aan hebben. Maar als je daar je ontwerpvisie alleen op baseert, dan neem je een beperkt deel van de wereld om je heen als referentiekader - want wie representeren de betrokken deelnemers? Je blijft dan ook vaak vastzitten in huidige normen. Als studio zien wij het juist als onze taak om deze normen te verbreden. Hoe komen we anders uit de ellende die we zelf gecreëerd hebben?”
Ontwerpers mogen een krachtige rol pakken in de samenleving…
“Ja, absoluut. Er is zoveel voor ons te doen, en dat vind ik prachtig. Als ontwerper voel ik een grote verantwoordelijkheid om echt proberen te begrijpen wat ik bijdraag aan de wereld, door alle kennis die ik meeneem uit de psychologie, sociologie en biologie. Dat verwacht ik bijvoorbeeld niet van hedendaagse kunstenaars. Die mogen zich juist aan dat soort overwegingen onttrekken naar mijn idee. Kennis kan ook een belemmering zijn. Alle wegen leiden naar Rome.”
Wat helpt je om die verantwoordelijkheid te dragen?
“Filosofie is voor mij essentieel, maar iedereen in ons team heeft zijn of haar eigen houvast. Filosofie biedt mij handvatten om dieper te reflecteren op ons werk en op wat het betekent om te creëren. Als ontwerpers scheppen we ervaringen voor mensen die we niet persoonlijk kennen, zonder te weten of ze onze perspectieven daadwerkelijk zullen overnemen. We reiken naar de ander, met een veronderstelling maar zonder garantie dat het resoneert. We testen en optimaliseren natuurlijk, maar reflectie en het voortdurend aanscherpen van onze denkbeelden is wezenlijk. Juist die ruimte geeft de energie om door te gaan.”
En de menselijke behoefte om iets bij te dragen...
“De behoefte om het goede te doen is heel natuurlijk, maar ons eigen gedrag staat ons vaak in de weg. Onlangs gebruikte ik bij de Architectuur Biënnale Jeroen Bosch’ Tuin der Lusten als metafoor. Dit drieluik laat zien hoe menselijk verlangen destructief kan zijn; van de zondeval in het paradijs tot de aardse lusten naar de hel. Waarmee ik overigens niet zijn moralisme overneem.
We blijven altijd zoeken naar alternatieve manieren van samenleven, als expressie van andere maatschappelijke waarden. Voor elke opgave is het een hernieuwde zoektocht, zowel voor de samenleving als voor onszelf. Als team hopen we zo een steentje bij te dragen.”


